Een gelukkig leven in bescheidenheid

Een jaar geleden kuste toenmalig burgemeester Jan van Zanen haar op de wang ter gelegenheid van haar verjaardag. Dat vond mevrouw Berkhof, bewoonster van De Ingelanden en vroeger best wel preuts, op het randje. Maar vooruit, hij mocht. Je wordt tenslotte niet iedere dag honderd.

Ze wordt twee jaar na de Eerste Wereldoorlog geboren. Haar wieg staat in Wijk C in Utrecht. Het is thuis best nog stil, want Lientje is de oudste. Dat duurt niet lang, want ze krijgt in de loop der jaren gezelschap van nog 13 broers en zussen. Het is een levendige boel, maar stiekem verlangt Lien soms naar een oudere broer of zus, want als duvelstoejager moet ze veel klusjes opknappen. “Ach, dat gaf niks. Het was vooral gezellig, hoewel we geen engeltjes waren. We maakten natuurlijk weleens ruzie, maar mochten van onze vader nooit met een kwaaie kop gaan slapen omdat je daar anders misschien ook mee wakker werd.”

Nonnenschool
Na de lagere school gaat ze direct werken, zoals zo vaak gebeurt in deze tijd. Lien gaat aan de slag als werkster in een nonnenschool aan de Weerdsingel. Daar vlakbij ziet ze op een dag een jonge huisschilder aan het werk met zijn collega’s. Frans heet hij, een charmante jongen wiens ouders een kolenwinkel in de Koekoekstraat hebben. Mevrouw Berkhof, lachend: “Ze hebben gevochten om mij, maar Frans was de charmantste. Hij kwam me op zaterdagen helpen met schoonmaken, we hadden een heel leuke tijd samen.”

Frans is een aparte. Hij collecteert in nette kleren voor de Gereformeerde Kerk, niet omdat hij gelovig is, maar het fijn vindt om bij een groep te horen en iets te betekenen voor het goede doel. “Ik kreeg een pluim van mijn ouders omdat hij er zo mooi uitzag.”

Oorlogsgolven
Dan wordt het 1940 en komen er donkere oorlogsgolven aan drijven. Alles verandert. Onbekommerdheid wordt dreiging, welvaart wordt honger. Ook in Utrecht. Met een broertje en zusje loopt Lien naar boeren in het noorden, op zoek naar eten. En in de Jaarbeurs, waar de Duitsers een opslag hebben, jat ze met wat vriendinnen eten. Een bewaker slaat haar met een zweep op een hand, maar toch weten ze met het gestolen eten thuis te komen. “Mijn hand was enorm dik. We mochten niet liegen, dus ik vertelde wat we hadden gedaan. Maar ja, we hadden wel eten.” 

Ondergrondse
Ze is tijdens de oorlog werkster bij het gezin van de directeur van een verffabriek. Ze heeft het er naar haar zin en de kinderen zijn gek op haar. Op een dag komen er een paar Duitsers bij haar thuis die haar het hemd van het lijf vragen over de directeur. De militairen proberen te achterhalen of Lien soms iets weet over ondergrondse activiteiten van meneer de directeur. Ze zwijgt als het graf. De directeur heeft haar nooit iets verteld, maar ze weet zeker dat hij onderduikers heeft. “En dat was inderdaad zo. Hij werd krijtwit toen ik vertelde hoe ze me hadden ondervraagd. Daarna bracht hij me met zijn auto naar huis en gaf hij mijn moeder uit dankbaarheid een enorm voedselpakket dat de Engelsen hadden gedropt op het Suikerterrein vlak bij de Krügerstraat, waar het directeursgezin woonde.”

Dubbele steun
In 1943 trouwt ze met Frans, meer om praktische dan romantische redenen. Frans moet naar Duitsland als chauffeur en alleen echtgenoten krijgen daarvoor een tegemoetkoming. Steun komt er ook in een andere vorm: de verfdirecteur neemt zijn moeder in huis en vraagt of de achtergebleven, ruime bovenwoning in Hoograven misschien iets voor het jonge stel is.

Daar hoeven ze niet lang over na te denken.

Ondanks de slechte gezondheid van Frans, wiens astma-aanvallen soms zo heftig zijn dat hij zich geen raad meer weet, beleven ze samen gelukkige jaren en krijgen ze twee zoons: eerst een ‘nieuwe’ Frans en vervolgens Robert. Lien blijft intussen werkster in opeenvolgende huizen van gegoede Utrechtse gezinnen.

Oud vuil
Meestal zijn het aardige mensen, maar één keer behandelt de vrouw des huizes haar als oud vuil door haar de beloofde koffie te onthouden en in plaats daarvan na het schoenen poetsen een maggiblokje aan te bieden. “Ze wilde me laten voelen dat ik de mindere was als werkster. Nou, dat pikte ik mooi niet. Toen ze me bij het uitbetalen zei ‘Tot volgende week’, antwoordde ik: ‘Nou mevrouw, volgende week kom ik dus niet meer. Dan had u maar wat beter voor uw personeel moeten zorgen.’”

Het gezin leeft bescheiden, met hooguit eens een vakantie in eigen land, een uitstapje op een rondvaartboot of een zondags autoritje in de omgeving. “We waren in het gelukkige bezit van een tweedehands Opel Kadett. Ik legde steeds wat geld apart zonder dat mijn man dat wist. We konden de auto contant betalen, de verkoper vond ons wel een beetje ouderwets.”

Rotweggetjes
Ze zou graag zelf achter het stuur kruipen, maar dat vindt haar man niet nodig. “’Zie je die foto met mij achter het stuur? Net echt, hè? Maar mijn man zei: ‘Zolang ik kan, zorg ik ervoor dat je overal komt.’ Hij vond het leuk om daarbij altijd te kiezen voor rotweggetjes.”

Helaas verslechtert de gezondheid van Frans, op 56-jarige leeftijd overlijdt hij in zijn slaap. “Een tweede zoals hij is er niet. Zo lief, zo zorgzaam. Ze hebben me vaker gevraagd waarom ik niet nog eens aan een man ben begonnen. Maar dat wilde ik gewoon niet meer, hij was de liefde van mijn leven.”